17 May 2018

Nicolette merkt dat er een pijnlijk patroon is dat zich steeds herhaalt. Ze werkt al heel lang voor dezelfde organisatie. Onlangs heeft er weer een reorganisatie plaatsgevonden en weer heeft Nicolette te horen gekregen dat er geen plek meer voor haar is. Het afdelingshoofd heeft haar functioneel maar even ondergebracht bij een andere leidinggevende zodat die haar kan helpen om uit te zoeken wat een geschikte plek voor haar zou zijn.

Het voelt alsof er met haar wordt gesold. Nicolette voelt zich niet serieus genomen en niet gezien. Ze is boos. De boosheid zit haar in de weg. Ik vraag haar om twee houten poppetje neer te zetten; een voor zichzelf en één voor het afdelingshoofd waar ze zo boos op is. Wanneer ze naar hem kijkt, groeit haar boosheid. Woedend wordt ze. In haar woede voelt ze zich groter worden. Groter dan haar baas.

Ik houd mijn hand losjes achter het poppetje van haar baas en vraag aan Nicolette of ze, wanneer ze zo vanuit haar eigen poppetje naar hem kijkt, en eraan voorbij, misschien nog iemand anders ziet. Ze schrikt van haar eigen gevoel en zegt dan: “Ja, mijn broer. Die kon zich net zo gedragen. En op hem kon ik ook zo boos zijn. Goh, terwijl hij zoveel voor me betekent.”

Dan trek ik mijn hand heel rustig opzij, om haar broer en haar baas als het ware ‘uit elkaar te trekken’. Ze zijn nu beide, los van elkaar, zichtbaar.

Ik vraag haar om tegen haar baas te zeggen: ‘Even dacht ik dat je mijn broer was, maar je bent maar mijn baas, niet meer dan dat.’

En tegen haar broer: ‘Graag kijk ik op een later moment in de coaching naar de relatie met jou.’

Ze kijkt weer terug naar haar baas.
Ze zegt: “Goh, ja nu kan ik hem echt aankijken. De boosheid wordt minder.”

Het verduidelijkt en het lucht op.